Ernest Zürcher maakte in 1898 in het Zwitserse Neuchatel motorfietsmotoren. Hij richtte samen met Herman Luthi de Zürcher & Luthi & Cie. op. 
Al snel werd de werkplaats te klein en in 1900 verhuisde het bedrijf naar het nabijgelegen St. Aubin.

In 1901 werd de naam veranderd in Zedel (fonetische schrijfwijze van de initialen Z.L.). Binnen een jaar daarna had men 130 werknemers en ging exporteren naar Frankrijk (via een overeenkomst met de Franse fietsenfabriek La Victoire).

Om de franse invoerrechten te omzeilen startte Zedel vlak over de grens, in het franse Pontarlier, een klein werkplaatsje.
Al snel ontwikkelde zich deze werkplaats tot een fabriek voor motorenassemblage (voor motorfietsen en auto's), waarin vrijwel alleen Zwitsers werkten. De snelle groei van het bedrijf veroorzaakte liquiditeitsproblemen, waardoor een toeleverancier (Samuel Graf) kans zag een meerderheidsbelang in het bedrijf te verwerven. Hij wilde overschakelen op autoproductie, hetgeen Ernest Zürcher weigerde. In 1907 zag Zürcher zich genoodzaakt zowel het moederbedrijf in St. Aubin als de Franse vestiging in Pontarlier te verkopen aan Samuel Graf. 

Zedel SA, Pontarlier bleef motoren bouwen, maar ontwikkelde daarnaast een auto. Deze type 22 B 7/8 cv had een viercilinder motor, die een verbeterde versie was van de type A, die als prototype nog ontwikkeld werd door Ernest Zürcher, vlak vóór diens vertrek uit het bedrijf. Door justitie werden de rechten op de motor uiteindelijk toegekend aan het bedrijf in Pontarlier. Van dit type B werden in één jaar ca 100 stuks verkocht. 

1908 zedel ce wielerHet gamma werd vóór de Eerste Wereldoorlog nog uitgebreid met de types CA, CB, CC, CG, CF, DB en DBS. In 1910 verscheen de veel modernere E. Kort daarna volgden de CI en de H 3563 cc. 

Al deze wagens waren bestemd voor vermogende klanten. Er werd geëxporteerd naar Engeland (en vandaar naar de hele Common Wealth), België, Italië, Zwitserland, Spanje, Siam (Thailand), Rusland, Amerika, enz. In totaal verkocht Zedel vóór het begin van de Eerste Wereldoorlog tussen 300 en 400 auto’s.

Tijdens de oorlog stokte de materialenvoorziening en met de afzet ging het ook niet goed. Het bedrijf werd door de Franse regering gevorderd en moest granaten fabriceren. Sleutelfiguren uit het bedrijf vertrokken naar Zwitserland. 

Na de oorlog begon Samuel Graf de vooroorlogse voorraden te gebruiken om de type CE te bouwen. In 1919 verkocht hij het bedrijf aan Jérôme Donnet, een Zwitserse industrieel, die gedurende de oorlog in Frankrijk naam (en vermogen) gemaakt had met het bouwen van watervliegtuigen onder de merknamen Donnet-Lévêque en Donnet-Denhaut.

Donnet begon met een beperkte serie van een verbeterde en meer luxueuze versie van de CE, de CES. In 1920 verscheen een volledig nieuw model, type P 15 cv (torpedo 3176 cc 39 pk 1320 kg 100 km/u), wéér gericht op gefortuneerde klanten. 
In 1921 werd een andere weg ingeslagen. De viercilinder CI 5 was bedoeld om in kleine series gebouwd te worden (in navolging van Citroën). In 1922 werd de CI 5 opgevolgd door de robuuste en populaire CI 6 11cv (4 cil 2120 cc 34 pk 1100 kg torpedo, limousine en berline souple).

Dit was de eerste Zedel die echt in grote serie werd gebouwd.

 

2005.05.019 Donnet Zedel CI62005.05.020 Donnet Zedel CI62005.05.021 Donnet CI6

  

1924: Donnet-Zedel, Pontarlier

In 1924 werd de merknaam veranderd in Donnet-Zedel. Tevens werd productieruimte gezocht en gevonden in de buurt van Parijs. De productie van de CI 6 (nu onder de nieuwe merknaam) bleef in Pontarlier. De zescilinder K van oktober 1926 was een luxueuze limousine of cabriolet, die eveneens tot oktober 1928 in Pontarlier gebouwd werd. 

1930 Donnet CI6 0171930 Donnet CI6 018

 

1924: Donnet-Zedel, Gennevilliers

In 1924 verscheen de kleine viercilinder type G 7cv, die eveneens onder de nieuwe merknaam Donnet-Zedel werd uitgebracht. De productie van de motoren voor de G vond plaats in een oude fabriek in Gennevilliers, terwijl de chassis gebouwd werden in de oude watervliegtuigfabriek van Donnet op het Ile de la Jatte en de carrosserieën in de hoofdvestiging in Neuilly. Op Ile de la Jatte werden de wagens afgebouwd en opgeslagen.
1926 Donnet Zedel Type G cabr1926 donnet zedel torpedo 0121926 Donnet Zedel Type G torpedo Sport

1926 : Donnet, Nanterre
In augustus 1924 werd in Nanterre een oude opslagplaats met uitbreidingsmogelijkheden gekocht. In 1925 werd hier gestart met de bouw van een nieuwe fabriek (5 verdiepingen van 100 x 100 mtr), die bedoeld was voor "lopende band productie" naar Amerikaans voorbeeld.

In mei 1926 werd de merknaam veranderd in Donnet. De nieuwe fabriek was klaar in oktober 1928.

De fabricage in Pontarlier werd langzaam afgebouwd en naar Gennevilliers verhuisd. In 1929 werd de fabriek in Pontarlier gesloten.

Donnet groeide uit tot de vijfde autofabrikant van Frankrijk, na Renault, Citroën, Peugeot en Mathis, en net vóór Chenard & Walker.

In 1927 fuseerde Donnet met drie andere Franse autofabrikanten: Delahaye, Unic en Chenard & Walker. Tengevolge van de economische crisis van 1929 werden de CI 7 en CI 10 (net als vrijwel alle auto's in de wereld) slecht verkocht. Het bedrijf ging sterk bezuinigen en er werden veel werknemers ontslagen.

Men probeerde zich te redden door tussen 1931 en 1933 de Donnette type 149 te leveren met 2 cil tweetakt Violet-motor. Er werden geen torpedo’s, roadsters en coupés meer gebouwd. Alléén nog coaches en conduites interieures.

Het einde van Donnet kwam in december 1934. De fabriek werd gekocht door Fiat-importeur Pigozzi, die er de Simca-Fiat ging bouwen en werd later eigendom van Citroën.

Het toeleveringsbedrijf Contin verkocht tussen 1935 en 1936 nog een aantal 8 CV berlines en coupés uit de voorraad onder de naam Donnet-Contin type D 35.

De totale produktie van de merken Zedel, Donnet-Zedel en Donnet bedroeg ongeveer 100.000 stuks.